NK 39 doopvont

Nieuwe Kerk – 5 juli – doopvont NK –

Voorafgaande aan onderstaande tekst lezen we in Handelingen 2: 14-36 over de eerste Pinksterpreek. We zouden verwachten dat het in de Pinksterpreek van Petrus vooral zou gaan over de uitstorting van de Heilige Geest. Maar dat is niet zo. Vanaf vers 22 heeft Petrus het over de Heere Jezus. De Heilige Geest, Die met Pinksteren uitgestort wordt, doet niets liever dan de Heere Jezus verheerlijken. In vers 36 besluit Petrus zijn preek: ‘Laat dan heel het huis van Israël weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, die u gekruisigd hebt’.
Dan volgen de woorden van de tekst waarbij we deze week stilstaan met het oog op komende zondag bij de bediening van de Heilige Doop in de Oude Kerk: Handelingen 2: 37 – 39

37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannenbroeders? 38 En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. 39 Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal.

‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen’. Christus heeft gezegd: Van zulke kinderen is het Koninkrijk van God, maar Hij zou met dit alles niet met ernst van het ware Koninkrijk der hemelen spreken? Leg nu deze woorden van Christus maar uit zoals u wilt, dan blijft het waar dat wij de kinderen tot Christus moeten brengen en dat men ze niet verhinderen mag. En wanneer ze tot Hem gebracht zijn, dan dwingt Hij ons hier te geloven, dat Hij hen de zegen en het Koninkrijk der hemelen geeft, zoals Hij ook bij deze kinderen uit het Evangelie doet.
Hij wil ons, zolang dit Woord van Christus blijft staan: Laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet, beslist niets anders toestaan en doen geloven. Niet minder wil Hij ons dat toestaan te geloven, wanneer zij tot Hem gebracht zijn, opdat Hij ze aan Zijn hart drukt, Zijn hand op hen legt, hen zegent en de hemel geeft. Dit zal zolang waar zijn als deze tekst vaststaat: dat Hij de kinderen die tot Hem gebracht werden, zegende en de hemel gaf.
Wie kan aan deze tekst voorbijgaan? Wie wil daartegen zo onverzettelijk zijn en de kinderen de Doop ontzeggen, of niet geloven dat Hij hen zegent wanneer zij daartoe tot de Doop komen?

1525 Johannes Calvijn. Institutie Boek IV - hoofdstuk 16